Even op stap met de nachtploeg van de politie

politie leeuwarden nachtteam

Zelfs in het grootste kloteweer zul je op stapavonden het zwart-geel van de politie rond zien lopen in de stad. Wat moet je daarvoor kunnen? Ik ging een nachtje mee op stap met de nachtdienst.

Als de politie me vraagt of ik niet een keertje mee wil lopen hoef ik niet lang na te denken. Een jeugddroom wil ik het nog net niet noemen, maar ik heb me er vaak genoeg een voorstelling van gemaakt hoe stoer ik eruit zou zien in een politie-outfit. Zelfs dat nieuwe pakkie, zonder platte pet, zou me goed staan.

Op zaterdagavond mag ik me om kwart voor elf melden, zodat ik de briefing van elf uur mee kan krijgen. Hopelijk krijg ik een eigen wapenstok met m’n naam erop. Leeuwarden zal bibberen voor de orde die ik over de nacht zal doen nederdalen.

23:00 Briefing

Als ik het politiebureau binnenkom, wacht een grote kale kerel me op. Hij heeft een echte politiesnor en heet Hugo. Dit is de man met wie ik de hele nacht op zal trekken. Zonder dat ik een uniform mag passen, lopen we door naar de ruimte waar we worden voorbereid op wat de nacht zal brengen.

Stipt om elf uur zitten er een mannetje of twintig in de zaal. Er zit ook een handjevol stadswachten tussen. Het valt me op dat stadswachten vaak hun handen achter hun vest steken. Als je ze tegenkomt op straat, maar ook hier. Met z’n allen luisteren we naar Hugo, die vertelt waar we op moeten letten.

Er zijn wat probleemmakers op vrije voeten zijn die voor moeilijkheden kunnen zorgen. ‘We weten dat Pietje een horecaverbod heeft,’ zegt Hugo, ‘en dat hij toch heel vaak bij café zus en zo te zien is.’

Zo zijn er een mannetje of tien die besproken worden. De politie weet echt indrukwekkend veel. Van elke problematische nachtbraker weten ze hier wat de favoriete kroeg is, waar er regelmatig wordt gevochten en zelfs om welk tijdstip dat dan gebeurt.

De stadswachten mogen zo in burger naar een van die kroegen in het centrum, omdat een van de vaste bezoekers daar de laatste tijd de chronische neiging heeft om op zaterdagavond met stoelen te gaan gooien.

De voorbereiding op de avond is prima op orde, al heeft nog niemand het idee opgevat om me uit te leggen op welke plek van de knie een wapenstok het meest effectief is.

24:00 De straat op

Hugo en ik rijden in een busje door de stad en ik begin te vermoeden dat ik deze nacht geen attributen krijg. Geen uniform, geen wapenstok, nog geen hesje hangt er aan mijn lijf. De vaak onderdrukte realist in mij fluistert dat je daar vast een vergunning voor nodig hebt. Of een diploma. Ik fluister terug dat ik in burger ben, gewapend met een notitieblok.

Het busje glijdt moeiteloos door de Liwwadder straten. Overal is het rustig, af en toe steekt Hugo een hand op naar een beveiliger, soms rijden we langs een collega. We babbelen wat over zijn verleden als begeleider van politiehonden en er gebeurt weinig.

‘Je weet nooit wat er in zo’n nacht gebeurt,’ zegt Hugo, ‘het kan wezen dat er de hele nacht niks aan de hand is, maar soms heb je gewoon een heel intens sfeertje in de stad en dan ben je de hele nacht bezig met brandjes blussen.’

01:00 Beetje hangen

Het busje wordt geparkeerd bij het Wilhelminaplein. De hoek van het Ruiterskwartier en de Doelsteeg is toch het knooppunt van de stappers. Als er wat aan de hand is, is dat hier. ‘Tegen drie uur is het wat drukker,’ zegt Hugo, ‘als iedereen nog snel ergens naar binnen wil. En na vijf uur ga je wel merken dat iedereen naar huis wil.’

Dat geloof ik wel en verheug me alvast op de volle FEBO, die ik nu eens nuchter ga meemaken. Dat doet me er aan denken dat ik honger heb. Uiteindelijk duurt zo’n dienst toch zeven uren. Ik vind het een gek idee dat je als politieagent eigenlijk gewoon een broodbakje mee moet brengen. Heb ik niet gedaan, dus ik trek een kaassouflé uit de muur.

Nog een rondje met de bus

‘We doen weer even een rondje,’ besluit Hugo. Met z’n tweeën lopen we door de stad en maken een praatje met de beveiligers die hier en daar voor de kroegen en tenten staan. Het is tot zover een gure, maar rustige nacht, beamen ze.

De agenten van het horecateam kennen zo goed als iedereen, vertelt Hugo. Moet ook wel, want je helpt elkaar tenslotte de nacht levend door te komen. Daarom is zo’n rondje ook belangrijk, even bijpraten met iedereen, laten weten dat je er bent.

Af en toe groet hij iemand die ik herken van de briefing. Het zijn jongens die ook wel weten dat ze in de gaten worden gehouden en ze gaan met Hugo om, alsof ze samen in een biljartclub zitten.

‘Dus jij bent vannacht even met Huug op stap?’ Vraagt een van die gasten aan me. ‘Ja zekers,’ zeg ik, ‘even kijken wat er gebeurt.’ ‘Dit is een beste vent,’ zegt hij met opeens een arm om mijn schouder, ‘Hugo, houdt je het vannacht weer wat in de gaten?’ Hugo lacht wat. ‘Ja hoor,’ zegt hij.

02:00 Alles op camera

doelesteeg

Dan stappen we in de bus voor nog een rondje op wielen en komen uit bij het politiebureau bij de Oldehove. Boven in dat bureau lijkt het verdikke wel Minority Report. Helaas mag ik er geen foto’s maken, dus je moet het doen met een omschrijving.

In een kamer met weinig verlichting staan een aantal enorme monitoren naast elkaar, waarop de hele stad in de smiezen wordt gehouden door twee man. Geconcentreerd kijken ze naar de camerabeelden die ze besturen met joysticks die ze niet loslaten.

Door een walkie-talkie vraagt een agent of een man in een blauwe jas in de gaten kan worden gehouden. Hij loopt al een tijdje wat obscuur heen en weer in de Doelsteeg. ‘Ja, ik heb hem,’ zegt een van de cameramannen binnen vijf seconden.’ De man ziet er uit alsof hij de slechterik speelt in een film met Steven Seagal.

Met zijn handen diep in de zakken van zijn bolle blauwe jas en een pet ver over zijn ogen getrokken, loopt hij nog wat doelloos op en neer, om vervolgens de Nieuwstad op te zwaaien. De camera’s volgen hem nog ruim tien minuten, onopgemerkt, tot hij uit het centrum verdwijnt. Gevaar geweken.

03:00 Het wordt drukker

Ruim voordat de kroegen de deuren sluiten voor nieuw publiek, staan we weer op onze post, alles wat in de gaten te houden. Een man komt naar ons toe en vertelt dat er bij De Prins een man met een glas in z’n handen staat te zwaaien.

We snellen erheen en er is inderdaad een opstootje waar een man zijn ene hand achter zich houdt en met zijn andere naar een kerel verderop loopt te wijzen. Zijn vriendin of vrouw, wat maakt het uit, loopt eromheen te krijsen dat die andere gast niet zo moet liegen.

Een knippertje van de ogen later staat er een politiewagen bij, twee agenten op de fiets en nog wat collega’s. Dan weet je wel dat er niet meer veel gaat gebeuren. En inderdaad, iemand zet een glas weg, het akkefietje sust zichzelf in slaap en ieder gaat zijn eigen weegs.

Wie niet horen wil, moet buiten roken

Terwijl de avond zo heel gestaag loopt te vorderen, rent Hugo opeens weg door de Doelesteeg. Aan het andere einde ervan staat een bolle gozer van een jaar of twintig wat te tollen op opvallend smalle beentjes. Hij brabbelt tegen een beveiliger die bij ‘ staat en wijst om zich heen.

Ben je nuchter, dan is er aan dat geleuter weinig verstaanbaars te onttrekken. Hugo helpt de beveiliger wat bij het vertalen en kalmeert de boel meteen wat. De jas van de jongen is uit elkaar gescheurd en hij moet steeds bijna huilen omdat hij alleen is.

Zijn vrienden staan nog vrolijk in een van de kroegen die de Doelsteeg rijk is. Zelf is hij eruit gezet, omdat hij midden in die tent een sigaret opstak. Het vriendelijke verzoek om de kroeg uit te gaan sloeg hij in de wind, dus was het vervolg van dat verzoek was iets minder mild.

De beveiliger vertelt ons dat zijn vrienden niet de behoefte voelen om hem naar buiten te volgen. Het is immers drie uur geweest, dus je komt nergens meer in. De dronken oelewapper is op zichzelf aangewezen.

‘Wat moet ik nu dan?’ Vraagt hij met theatraal opgetrokken schouders. ‘Volgens mij heb je al genoeg sapjes gehad,’ zegt Hugo, ‘is het niet het beste als je nu naar huis gaat?’ De kerel, een boom van een vent, kijkt naar beneden als een kleuter die zijn lolly op de grond heeft laten vallen. ‘Ja maar, dat is heel ver lopen…’ ‘Dan moet je maar een taxi bellen.’ De jongen knikt en probeert de rits van zijn jas dicht te doen. ‘Is mijn jas ook nog stuk,’ zegt hij.

04:00 Beetje chaos

horecateam politie

Hugo en collegae hebben alles onder controle.

Terug op het Ruiterskwartier is de FEBO is ondertussen vol met TL-licht en beschonken lui, waarvan enkelen ongeïnteresseerd kauwend, als koeien in de wei, kijken naar een meisje dat woest uit de tent ernaast komt rennen.

‘Laat me los,’ schreeuwt het kind hysterisch. ‘Toe nou even,’ smeekt wat haar voormalige vriendje moet zijn, met zijn handen om haar bovenarmen. Hugo komt tussenbeide en richt zich tot de verbaasde jongen. Het meisje kalmeert direct en loopt weg. De jongen snapt nog steeds niet wat er aan de hand is. Die oprecht verdrietige misverstandjes krijg je alleen als je alle twee zo dronken als een aapje bent. 

Het wordt hier en daar wat chaotischer. Twee jongens hebben ruzie. Beiden bekenden van de politie. Gek genoeg proberen ze hun ruzie uit te vechten vlak voor de mannen en vrouwen in uniform, die rustig staan toe te kijken naar de woordenwisseling. Dit is niet de eerste keer.

Als ze na een paar minuten uit elkaar gaan, is er alweer niks aan de hand. Even later komt er eentje terug met wat vrienden achter zich aan. Ze blijven wat hangen in ons zicht. De agenten houden elkaar op de hoogte, de andere ruziemaker is al lang en breed uit de buurt.

Niet meer op een kluitje

In diezelfde tien minuten worden er twee jongens gearresteerd omdat ze de politie uit lopen te schelden. Altijd een slecht idee. Een busje voert ze af naar het bureau. Niet veel later is het weer rustig op het Ruiterskwartier, alsof het nooit anders was. De FEBO is belachelijk vol, de Doelesteeg is een vrolijke bedoeling en het horecateam heeft alles onder controle.

‘Vroeger deden we dat anders,’ zegt Hugo. Dat weet ik nog wel. De tijd dat de politie de straat binnen een kwartier keurig doch hardhandig schoon veegde is volgens mij nog niet eens heel lang geleden. ‘De tactiek is nu dat we ergens willen zijn vóórdat er iets aan de hand is.’

Het team staat ’s nachts niet meer op een kluitje, maar is wel bij elkaar in de buurt. ‘Als er dan wat gebeurt, kunnen we het heel snel oplossen, om daarna weer uit elkaar te gaan.’ Zo kan een grimmige sfeer dus zomaar verleden tijd zijn.

06:00 Het is wel klaar

De Doelesteeg loopt langzaam leeg, dronken vrienden zwalken vreedzaam over straat en het is wel een beetje einde avond. De nacht lijkt me wel in veilige handen bij de Liwwadder nachtdienst. Zelfs al had ik een wapenstok mogen lenen, ik had ‘m niet eens nodig gehad.

Ik worstel me nog even door de smakkende meute in de FEBO om een ochtendpatatje te scoren, bedank Hugo voor de avond en loop naar huis.

Door Henk Rigter. Een verkorte versie van dit verhaal lees je ook in de papieren Leeuwarder StudentenKrant We willen Politie Leeuwarden bedanken voor deze ervaring en extra hartjes voor Hugo.

Ga het gesprek aan ( comments)